Renee Olsthoorn
Menu

Renée Olsthoorn

auteur - vertaler

You pay in advance, luv

 

De stoffelijke resten van Richard III

Leicester,  1971

Mijn vriend en ik liften door Engeland, onze eerste vakantie samen. Een feest! Gekke ontmoetingen, lieflijke landschappen, beeldschone dorpen en stadjes. We hebben nauwelijks geld, maar dat geeft niet; in de pubs worden we heel vaak vrijgehouden.

Op de terugweg stranden we in het centrum van Leicester. Deze industriestad in de Midlands maakt op ons een unheimische indruk. Het is juli, maar freezin’ cold, een druilerige regen valt neer op onze hoofden en sijpelt door onze dunne kleren. We voelen ons er niet thuis. Een voorbode van wat ons te wachten staat?

Ondertussen is de schemering ingevallen, maar er is nergens een hotel of jeugdherberg te bekennen. Halverwege een zebrapad spreken we een ouder echtpaar aan. “Excuse me, could you show us the way to the nearest hotel?” vraag ik beleefd.

Het paar neemt ons taxerend op. Vervolgens zegt de vrouw: “Ill  show you the way to The Red Cow.”

We bedanken het echtpaar hartelijk voor de tip en maken de weg vrij voor claxonnerende autobestuurders die het zebrapad vrij van voetgangers willen hebben.

Het etablissement blijkt een pub te zijn. Er zit een handjevol mensen in de lounge. We kijken elkaar aan en fluisteren tegelijk: “Dickens.” Het is er donker, bedompt, en het stinkt er naar volle asbakken, verschraald bier en oud zweet. Uit een speaker schalt blikkerig de stem van Dusty Springfield. Aan een tafeltje rookt een vrouw met verwaarloosde lange grijze haren een peuk. Voor haar staat een shandy. Via een gehavend glas-in-loodraam in verveloze sponning kijken we uit op de bar, waar een paar kerels laveloos aan de toog hangen, een sigaret in de ene en een pint in de andere hand.

Als de landlady op ons afstevent om te vragen wat we willen, krijgt de naam van de kroeg opeens inhoud. Ze is een vrouw van middelbare leeftijd, voorzien van een forse boezem en knálrood geverfd haar! Samen met de landlord, die zich ondertussen bij haar heeft gevoegd, deelt ze één incompleet gebit. Zíj heeft nog wat boventanden, bij hém zit er van onderen nog wat.

“Do you have a room?” vraag ik timide. Het liefst zouden we rechtsomkeert maken, maar op een of andere manier durven we niet.

“Two quid fifty, breakfast one quid p.p.. You pay in advance, luv” antwoordt ze met schelle stem, een akelige grijns op haar gezicht.

Voor zo’n prijsje willen wij arme lifters ons wel ongemakkelijk voelen, dus gaan we akkoord. De landlord gaat ons vervolgens voor een brede trap op om ons de kamer te laten zien. We krijgen echter eerst een rondleiding. Het voor de pub-bezoekers niet zichtbare achterdeel van het gebouw blijkt gigantisch groot en diverse verdiepingen te bevatten. Aan de linkerzijde van een brede gang opent hij een deur. “This is what we call the club room,” verklaart hij.

Wat voor een club daar bijeen komt, geen idee, maar dat het er in die ruimte zo nu en dan wild aan toegaat, is duidelijk… Alsof er een tornado doorheen is geraasd! Overal omvergevallen neprococo stoeltjes en dito tafeltjes. Stapels borden en bestek die nodig aan een wasbeurt toe zijn. Op een tafel liggen verspreid voorkomende kromgetrokken uitgedroogde boterhammen. Een bingospel met verroeste ballenmolen, stapels oude kranten.

Vervolgens laat de man ons de badkamer zien. Rondom een tegelwand vol bruingele zeep- en kalkaanslag. Een ouderwetse badkuip op pootjes vol roestplekken, daar waar het email is afgebrokkeld. Een zwarte rand om de binnenkant van de kuip geeft aan tot hoever het bad ‘ooit’gevuld is geweest. De wc heeft geen bril, iemand heeft zijn plas niet doorgetrokken. De wc-rol van grauw papier hangt aan een draadje dat met een spijker aan de wand is bevestigd. Er hangt een groezelige handdoek aan een haak.

Hoezo verloedering?

Ten slotte gaat hij ons voor naar onze kamer. Zodra de man de deur voor ons opendoet, roept mijn vriend uit: “I suppose, this is what you call the ball room!?”

De Engelsen vermaard om hun gevoel voor humor? Oké, dan is deze kroegeigenaar de uitzondering op de regel. Hij werpt mijn vriend een niet-begrijpende blik toe. Ik doe mijn best een nerveuze giechel te onderdrukken.

Enfin, we betreden onze ‘ball room’. Een gi-gan-tische kamer waarin twee eenpersoonsbedjes in het midden haaks op een wand staan. Plafondhoge ramen bieden uitzicht op een parkeergarage met hinderlijk knipperende neonreclame, de gordijnen zijn veel te smal om de ramen te bedekken. De lakens van de bedden zijn niet verschoond na het vertrek van de vorige gasten - of misschien niet eens van die dáárvoor, en bevatten vegen van ‘lichaamseigen sappen’, zeg maar. De deur kan niet op slot. Dus stoppen we onze resterende quids en paspoorten onder de matras. We proberen te slapen. Dat lukt niet meteen. Het uitzicht op die donkere parkeergarage, de deur die niet op slot kan… We hebben het gevoel dat we in een thriller zijn beland. Met bonzend hart wachten we op... ja waarop? Op een onlangs uit Leicesters krankzinnigengesticht ontsnapte seriemoordenaar?

In het holst van de nacht schiet ik wakker. Gekerm. Gekreun. Gegil. Nee, ik verbeeld het me niet. Ik blijk heel nodig te moeten, maar ik durf niet alleen te gaan. Dus geef ik mijn vriend een por. Hij schrikt zich wezenloos, en ik weer van hem. Wat lacherig zeg ik hem dat ik bang ben. Natuurlijk gaat mijn vriend mee naar de badkamer, ook al vinden we het wat riskant onze bezittingen, hoe schamel ook, onbeheerd achter te laten.

De badkamer is bezet. Onder de deur door kringelt een walm van kots, urine en excrementen op. Kokhalzend houden we onze hand voor mond en neus en ademen heel voorzichtig in en uit. Na wat een eeuwigheid lijkt, komt er een dronkaard de badkamer uit die wankel weg waggelt.  De volgende ochtend krijgen we ons ontbijt, in de club room. De kroegbaas schuifelt binnen met in iedere hand een bordje, waarop wat ranzige worstjes, schijfjes tomaat en gebakken eieren in een laag vet drijven. Eén van nicotine zwartgeblakerde duim steekt in een dooier. Nou ja, honger maakt rauwe bonen zoet.

We moeten gaan, maar de buitendeur zit op slot, dus roepen we de baas. Vloekend laat hij ons uit. Daarna verdwijnt hij ongetwijfeld weer tussen de vette lappen van het bed waar the red cow nog ligt te snurken. Buiten halen we diep adem; de zon schijnt, vogels fluiten… Geen roofmoord. Geen klopgeesten, of toch…? Dat gekerm en gekreun dan...?

Waar die pub zich precies bevond, weet ik niet meer, maar ik kan me voorstellen dat in dat gebouw de geest van de wrede tiran Richard III waarde, van wie de stoffelijke resten een paar jaar geleden zijn gevonden en die een herbegrafenis in Leicester heeft gekregen. Ik zou niet weten wie er anders kermend en kreunend rondwaarde, op zoek naar een vluchtweg om zijn dolende ziel eindelijk de rust te gunnen op een plek die een koning waardig is.

Na onze ervaring in die pub in Leicester, zou míj dat althans niet verbazen.

©Renée Olsthoorn

Go Back

Comment